Ralph Meulenbroeks ©AGDB
30 april 2026

Zonder leraar geen technisch talent

Nederland zoekt technisch en digitaal talent, maar vergeet nog te vaak waar dat talent begint: in het klaslokaal. In zijn oratie Je moet het wel wíllen weten liet professor Ralph Meulenbroeks zien hoe belangrijk wetenschappelijke geletterdheid is voor een samenleving die steeds technologischer wordt. Achter dat grotere verhaal schuilt een heel concrete vraag: wie leert jongeren straks kritisch kijken, denken en kiezen? Wie meer instroom in techniek wil, moet volgens Meulenbroeks daarom eerst serieuzer kijken naar de leraar voor de klas.

Het is negen uur in de ochtend. Ralph Meulenbroeks loopt over de Twentse campus, waar hij vandaag een lezing geeft. Vogelgeluiden en campusrumoer. Hij komt meteen tot de kern. ‘We hebben echt meer technisch opgeleide mensen nodig. En je moet vroeg in de keten beginnen. Daar zul je leraren voor nodig hebben.’

Vroege schakel
Geen speld tussen te krijgen. Toch zit precies daar de kwetsbare schakel, zegt hij. ‘We praten graag over innovatie, krapte, AI en transities, maar veel minder over de voorkant van die beweging. Over de school. Over het vak dat niet gegeven wordt. Over de docent die er niet is.’ Voldoende en goed opgeleide leraren zijn een randvoorwaarde voor de bèta-technische sector, want zonder leraren komt instroom in techniek en digitalisering niet van de grond.
Gesprekken over het lerarentekort begint Meulenbroeks vaak met een simpele vraag: wie was jouw favoriete docent? ‘Vaak blijkt dat precies de leraar geweest te zijn die ervoor zorgde dat iemand biologie, scheikunde, wiskunde of natuurkunde is gaan studeren. Zo begint het dus. Niet met een campagne. Niet met een arbeidsmarktagenda. Maar met iemand voor de klas die iets aanzet. Ik gun leerlingen rolmodellen.’

‘DIO wordt een game changer’

Overheidsopdracht
Voor Meulenbroeks is dat niet alleen een mooie gedachte, maar ook gewoon een politieke werkelijkheid. Nederland heeft met de nieuwe kerndoelen “mens en natuur” vastgelegd wat iedere vijftienjarige moet meekrijgen. ‘We zeggen: wij vinden dat het onderwijs in staat moet zijn om dit aan elke burger te leren.’ Die doelen gelden voor vmbo, havo en vwo. Voor iedereen dus. Daarmee heeft de overheid ook zichzelf een opdracht gegeven: wie wil dat jongeren leren omgaan met wetenschap, technologie, onzekerheid en informatie, moet ook zorgen dat er genoeg goede docenten zijn om dat waar te maken.
Deze opdracht sluit naadloos aan op zijn hoogleraarschap. Wetenschappelijke geletterdheid gaat voor hem niet over een elitair extraatje, maar over iets basaals: functioneren in een samenleving die steeds technologischer wordt. Je moet iets weten van concepten, iets van hoe wetenschap werkt en iets van de manier waarop wetenschap en maatschappij in elkaar grijpen. Anders wordt het moeilijk om te beoordelen wat waar is, wat niet, en waarom. En dat leer je niet vanzelf. Daar zijn leraren voor nodig die deze vragen de klas in brengen.

Systeemlek
Juist op school wordt zichtbaar waar het misgaat. Leerlingen missen vakken, voorbeelden en verleiding. Voor Meulenbroeks is informatica daarvan het scherpste voorbeeld. Op de meeste scholen wordt het vak simpelweg niet aangeboden omdat er geen docent is. Dan verdwijnt die richting al uit beeld nog vóór een leerling kan ontdekken of die misschien past. Zijn reactie is even fel als simpel: ‘Dan krijg ik echt een error. Verbijsterend. Totaal verbijsterend. Wat doen we dan?’ Als Nederland spreekt over digitalisering en grote transities, maar leerlingen op veel scholen geen informatica kunnen volgen, dan stokt de instroom niet pas later. Die stokt al in het klaslokaal.

Latente interesse
Maar er lijkt licht aan het einde van de tunnel. ‘De belangstelling voor het leraarschap is er vaak al, 50% van de universitaire studenten heeft er serieus over nagedacht,’ zegt hij. Maar uiteindelijk gaat ‘iets van 2%’ een educatieve minor doen. ‘We laten daar ontzettend veel liggen.’ Dat verschil intrigeert hem. Niet omdat al die studenten leraar móéten worden, maar omdat het laat zien hoeveel latente interesse nooit echt landt. ‘Onderwijs, daar word je eigenlijk verliefd op.’
De oplossing begint met iets eenvoudigs. ‘Maak kennismaken makkelijk. StudentinzetopSchool is voor Meulenbroeks zo’n route. Studenten draaien als bijbaan mee in het onderwijs, helpen docenten en krijgen een realistischer beeld van het vak. Dat blijkt niet alleen goed voor hun beeldvorming. ‘Uit effectonderzoek blijkt ook dat zulke docent-studentkoppels de klas vooruithelpen: leerlingen halen na een korte periode al gemiddeld 0,2 punt hogere cijfers, docenten ervaren minder werkdruk en studenten krijgen een concreter beeld van het beroep.’

Aantrekkelijke instroom
De tweede stap is minstens zo belangrijk: maak instromen aantrekkelijk. Daar komt DiO in beeld, Docent in Opleiding. Het idee is eenvoudig. Iemand krijgt een voltijdsaanstelling, werkt ongeveer de helft van de tijd op school, volgt de andere helft van de tijd de opleiding en krijgt wel gewoon voltijds betaald. Daarmee haal je een forse drempel weg. Nu moeten veel studenten na hun vak-master nog collegegeld betalen en financieel inleveren als ze voor een bevoegdheid gaan. Meulenbroeks kent dat uit eigen ervaring. Hij werd ook docent na zijn studie en zijn promotie in de natuurkunde en is nu hoogleraar. DiO is voor hem daarom geen luxeplan, maar een logische manier om talent niet kwijt te raken.
Rond DiO loopt nu een lobbytraject, waarbij de AOb, de VO-raad, de bèta-lerarenkamer en Universiteiten van Nederland een rol spelen. Het doel is helder: de route na een vak-master zó inrichten dat mensen niet eerst op een houtje hoeven te bijten, maar betaald hun bevoegdheid kunnen halen. ‘Dit zou een game changer kunnen zijn.’

Blijven groeien
Daarna volgt de derde stap. Misschien wel de lastigste. Maak blijvende groei  normaal. Veel docenten haken in de eerste jaren alweer af. Niet altijd omdat ze het vak niet mooi vinden, maar omdat de ruimte om je te ontwikkelen te klein is. Meulenbroeks zegt het bijna in één adem: ‘In het onderwijs is altijd alles urgent. Leerlingen staan voor je neus. Ouders bellen. Resultaten drukken. Alles vraagt nú aandacht.’ Juist daarom pleit hij voor echte ontwikkelruimte. Tijd voor onderzoek, lesmateriaal, AI-toepassingen of vakinhoudelijke verdieping. ‘Eén dag in de week. En selectief.’ Niet als hobby erbij, maar als serieuze investering in behoud en beroepstrots.

Samen versnellen
Daar ligt ook een rol voor bedrijven en andere partners. Zeker bij digitale vakken. In Co-Teach Informatica ziet Meulenbroeks hoe scholen, universiteiten en bedrijven samen toch vak-aanbod overeind kunnen houden. Professionals uit het werkveld brengen de praktijk de klas in. ‘De echte wereld komt het lokaal in,’ zegt hij. Dat maakt een vak concreet. En het helpt leerlingen om te zien wat je er later mee kunt. Zulke oplossingen slechten het lerarentekort niet in één keer, maar ze laten wel zien waar de beweging zit: in samenwerking, niet in ieder voor zich.

Drie oproepen
Meulenbroeks eindigt met drie oproepen. Aan minister Rianne Letschert: neem DiO serieus en regel het nu de kans er ligt. Aan schoolleiders: kijk zorgvuldig naar oplossingen als Co-Teach Informatica en accepteer niet te snel dat een vak verdwijnt. En aan studenten: ga eens kijken bij StudentinzetopSchool en maak van sluimerende interesse een echte ervaring. Niet iedereen hoeft leraar te worden, maar te veel belangstelling blijft nu steken vóór iemand het vak echt heeft leren kennen. Dan moet hij door, naar een workshop op de Dag van de TOA’s, voor Technische Onderwijsassistenten. Ook daar wacht het onderwijs gewoon weer.

Ralph Meulenbroeks ©AGDB